januari 1936
beyond the window there is a garden, but i can see only its walls. and a few branches flowing with light. a little higher, i see more branches, and higher still the sun. and of all the jubilation of the air that can be felt outdoors, of all that joy spread out over the world, i can see only shadows of branches playing on white curtains. there are also five rays of sunlight patiently pouring into the room the white scent of dry grass. a breeze, and the shadows on the curtains come to life. if a cloud covers up the sun and then lets it through again, the bright yellow of the vase of mimosa leaps out of the shade. the birth of this single flash of brightness is enough to fill me with a confused and whirling joy.
a prisoner in the cave, i lie alone and look at the shadow of the world. a january afternoon. but the heart of the air is full of cold. everywhere a thin film of sunlight that you could split with a touch of your fingernail, but which clothes everything in an eternal smile. who am i and what can i do -except enter into the movement of the branches and the light, be this ray of sunlight in which my cigarette smolders away, this soft and gentle passion breathing in the air? if i try to reach myself, it is at the heart of this light that i am to be found. and if i try to taste and understand this delicate flavour that contains the secret of the world, it is again myself that i find at the heart of the universe. myself, that is to say this intense emotion which frees me from my surroundings. soon, my attention will be filled again with other things and with the world of men. but let me cut out this moment from the cloth of time as other men leave a flower in the pages of a book. in it, they enclose the memory of a walk in which they were touched by love. i also walk through the world, but am caressed by a god. life is short, and it is a sin to waste one's time. i waste my time all day long, while other people say that i do a great deal. today is a resting place, and my heart goes out to meet itself.
if i still feel a grain of anxiety, it is at the thought of this unseizable moment slipping through my fingers like a ball of quicksilver. let those who want to, stand aside from the world. i no longer feel sorry for myself for now i see myself being born. i am happy in this world for my kingdom is of this world. a cloud passes and a moment grows pale. i die to myself. the book opens at a well-loved page -how tasteless it is when compared to the book of the world. is it true that i have suffered, is it not true that i am suffering? and that i am drunk with this suffering because it is made up of that sun and these shadows, of this warmth and that coldness which can be felt afar off, at the very heart of the air? what cause to wonder if something dies or men suffer, when everything is written on this window where the sun pours forth its fullness? i can say, and in a moment i shall say, that what counts is to be true, and then everything fits in, both humanity and simplicity. and when am i truer and more transparent than when i am the world?
moment of adorable silence. but the song of the world rises and i, a prisoner chained deep in the cave, am filled with delight before i have time to desire. eternity is here while i was waiting for it. now i can speak. i do not know what i could wish for rather than this continued presence of self with self. what i want now is not happiness but awareness. one thinks one has cut oneself off from the world, but it is enough to see an olive tree upright in the golden dust, or beaches glistening in the morning sun, to feel this separation melt away. thus with me. i became aware of the possibilities for which i am responsible. every minute of life carries with it its miraculous value, and its face of eternal youth.
albert camus, notebooks, january 1936
this description, later incorporated with minor changes into l'envers et l'endroit, pp. 121-4, was written straight out into the notebooks with very few alterations or corrections.
het nemo
op één van mijn favoriete blogs, het dronken schip, schreef gerard laatst in alle eerlijkheid. een stuk over de vrijwel onmogelijkheid om te schrijven zonder je bewust te zijn van... ja, van wat? van een meekijkend oog, toekomstige lezers. het superego allicht, zich bewust van elke uiting van ego of id, en van een gevoelde noodzaak die 2 potentiële donderstenen nu en dan te censureren. ik werd in eerste instantie het meest getriggerd door wat losse citaten uit een artikel dat willem jan otten vorig jaar schreef voor vrij nederland. ik bind ze even nog wat losser aan elkaar:
de zelfgezochte stilte van een leven dat ongezien wordt geleid, staat
in moderne ogen gelijk aan de dood. het moet een soort depressie zijn:
het is sowieso een blijk van angst. een kluizenaar van de laatste dagen
moet wel lijden aan zoiets als faalangst. [...] (omdat) het ware, moedige
leven vereenzelvigd wordt met gejureerd worden, op de televisie op een stip
gaan staan in de hoop gezien en ontdekt te worden [...] de gestalte van de
eenling die zich in afzondering volledig wijdt aan iets dat geen
mensenogen veronderstelt [...] zo iemand durft niet te bestaan.
ik vond dat een hele vreemde gedachte. heeft een mens, of hebben opgeschreven woorden of beschilderde doeken alleen waarde wanneer door anderen gezien? daar valt over te filosoferen. ik neig sterk naar het standpunt dat die waarde er ook zonder andere ogen is. wat ik ben of schrijf of schilder, dat zie ik en heeft daardoor al waarde.
en ook als nimmer een paar ogen. als ik als maker blind zou zijn. de geur van verf, de haren van de kwast en de structuur van doek voelen en (naar ik vermoed met nog meer concentratie) het coördineren van bewegingen, het voelen en worden van de vloeiende lijnen, het vertalen van 'zelf' in beeld, het vormgeven tot lijnen of woorden en zinnen. wat doet dat onzichtbare resultaat er toe? ook dat doek heeft waarde, evenals het in braille getikte verhaal dat ik zelf niet zou kunnen teruglezen. want wat ik schrijf of schilder, dat is een uiting en weergave van mijzelf en heeft daarmee al waarde. net als mijn gedachten ook waardevol zijn als ik ze met niemand deel. ze zijn, ik heb ze het universum in geschopt en dat is meer dan genoeg.
hoe minder bewustzijn van die andere ogen hoe beter denk ik eigenlijk. ik raffel mijn woorden heus niet aan elkaar als ik denk dat toch niemand ze leest. oh nee, voor zorgvuldigheid heb ik geen publiek nodig. en: ook met publiek schrijf ik soms snel en slordig. dat maakt het verschil niet. wat wel uitmaakt is dat ik juist zonder het bewust zijn van andere ogen, zonder het gevoel mijn woorden op een stip te leggen om gejureerd te worden puurder vormgeef. als het enige criterium is of ik het goed vind, of het resultaat zo goed mogelijk weergeeft wat ik wil overbrengen, wil vangen. de kans dat ik dan de essentie weet te raken is groter dan wanneer ik aan andere ogen denk. en evenzo is de kans dan groter dat als andere ogen het ooit toch onder ogen krijgen, dat die ogen dan iets bijzonders tot zich nemen.
vandaar dat de ideëen van willem jan otten over dit onderwerp mij direct verbaasden. ze kwamen mij over alsof ze zelf waren ingegeven door angst. en meteen wist ik welke angst: de angst voor het nemo. en zo kom ik, compleet onverwacht, nu toch terecht bij john fowles en zijn vreemde filosofiewerkje the aristos. het is niet het beloofde stukje, dat houd je nog tegoed. ik kom op john fowles omdat hij voor zover ik kan nagaan het nemo heeft bedacht.
het nemo is een aanvulling op freud's heilige drie-eenheid van superego, ego en id. "by this i mean not only 'nobody' but also the state of being nobody - 'nobodiness'. in short, just as physicists now postulate an anti-matter, so must we consider the possibility that there exists in the human psyche an anti-ego. this is the nemo." fowles loopt overigens niet hopeloos achter op wetenschappelijk gebied: the aristos is eind jaren 50 geschreven. omdat hij het zelf het best kan uitleggen citeer ik nog een paar korte stukjes van fowles' hand over dit nemo.
"if this concept has not received much attention from psychologists
it may be because it has not, like the other two truly primitive drives
of sexual and security (or survival) desire, been with man so long. the
desires for sexual satisfaction and security are not even specifically
human ones; they are shared by almost all animate matter. but the nemo
is a specifically human psychic force; a function of civilization, of
communication, of the uniquely human ability to compare and hypothesize.
moreover, it is a negative force. we are not, as in the cases of sexual
desire and security, attracted towards it; but repelled from it. the
super-ego, ego and id at least seem broadly favourable to the self, and
help preserve both individuality and the species. but the nemo is an
enemy in the camp. [...]
and our nemo gains power over our behaviour to the extent that we
believe that were it not for the faults of the human condition, or of
society, or of our education, or of our economic position, then we
might be what we can imagine. it grows, in short, in strict relation to
our sense and knowledge of general and personal inequality. (hier
zit een link met the collector, maar daarover dus in dat ooit nog
komende stukje meer)
there are basic aspects of the nemo that can never be remedied. i can
never be the historical shakespeare or cleopatra; i can never live
forever... and so on. i can imagine myself countless things that shall
never be; for i can never be without the physical and psychological
defects it is beyond my own, and science's, powers to remedy. though it
is logically nonsensical to call the inevitable a state of inequality,
we do in fact think of it so. and this may be termed the permanent
metaphysical sense of the nemo in all of us. the nemo is a man's sense
of his own futility and ephemerality; of his relativity, his
comparativeness; of his virtual nothingness."
je zou het nemo niet de angst voor de dood, maar het continue bewustzijn van de dood kunnen noemen. een bewustzijn dat zoveel invloed heeft dat we ook bij leven bang zijn om 'niet' te zijn.
fowles vervolgt met het benoemen van talloze gevoelens en daden die door het nemo zouden zijn ingegeven. het willen inspireren van liefde in anderen, en hoe sommigen, als dat ze niet lukt, nog liever haat inspireren dan niets: that too is remembered. hoe het kan drijven tot het oprichten van monumenten, van welke aard dan ook. zelfs belief in an afterlife is partly an ostrich attempt to cheat the nemo. en naarmate dat geloof in zo'n leven-na-het-leven steeds meer verdwijnt: the new paradise is the entry after death into that world of the remembered dead where the living continue to wander. en naarmate we allen meer weten, meer media tot onze beschikking hebben en als mensen steeds meer van elkaar kunnen zien en lezen, steeds meer weten hoe anderen leven en kunnen vergelijken, de illusie van individualiteit: terrible chain-reactions come into play: the more individuals the less individual they each feel. en waar het bewonderen van mensen die het nemo overwonnen lijken te hebben: de beroemden of beruchten (goed of slecht maakt niet meer uit, wie 'iemand' is, is een held) eerst genoeg lijkt, ontstaat vervolgens de behoefte zelf te winnen, zelf zo bekend mogelijk te worden. er was nog geen reality-tv toen fowles over zijn nemo schreef, maar ook dat verschijnsel laat zich makkelijk door het nemo verklaren.
hij vervolgt met een interessant stukje over the political nemo, de stem die niets betekent als iedereen mag stemmen. ook daar ziet hij gevolgen die ik zo op vandaag-de-dag kan plakken, maar dat is niet waar ik nu heen wil.
er lijken twee manieren te zijn om met het nemo om te gaan: het niet-zijn willen dichten met zaken als aandacht en roem als doel op zich, of het accepteren en van daaruit zien wat je potentieel wel kunt zijn, en dat proberen te realiseren. en als dat door bijna niemand gezien wordt maakt dat niet zo veel uit. liever, het liefst misschien wel, een enkel paar ogen dat goed ziet, dan tallozen die er langs kijken, langs wat ik wil laten zien.
but instead of utilizing the nemo as we would utilize any other
force, we allow ourselves to be terrified by it, as primitive man was
terrified by lightning. we run screaming from this mysterious shape in
the middle of our town, even though the real terror is not in itself,
but in our terror at it.
als willem jan otten schrijft: "de gestalte van de eenling die zich in afzondering volledig wijdt aan iets dat geen mensenogen veronderstelt [...] zo iemand durft niet te bestaan" dan denk ik dat willem jan otten juist zelf bang is, bang voor zijn nemo. bang dat de woorden die hij schrijft misschien nooit door iemand gelezen worden.
ja, ook ik ken de moeilijkheid om te schrijven zonder dat bewustzijn van het meekijkend oog. zoals het op talloze andere momenten moeilijk kan zijn daar geen last van te hebben. maar ik weet ook dat het echte plezier en genieten alleen daar is waar dat oog niet is. als ik onopgedeeld alleen ben, of met anderen die meedoen. zonder je bewust te zijn van geobserveerd worden is het het fijnst, spelen in de sneeuw.
john fowles
binnenkort moet ik toch eens wat schrijven over john fowles. hij is vooral bekend als schrijver van het boek the french lieutenants woman dat weer vooral bekend is als film met meryl streep. maar fowles verdient het om van meer bekend te blijven.
the collector* bijvoorbeeld. als roman verschenen in 1963 en in 1965 tot cultfilm gemaakt. of het curieuze filosofische werkje the aristos, geschreven in de jaren 50, toen hij net was gaan studeren. the magus is nog steeds wel bekend geloof ik. mantissa vond ik zelf een charmante novelle over de relatie kunstenaar-muze en tussen de rest zaten ook nog dingen die ik de moeite waard vond.
maar het gaat me nu om the collector in combinatie met dat rare filosofische the aristos, daar wil ik wat over schrijven. het plan is ergens aanstaand weekend. als je ongeduldig wordt kun je bij wijze van huiswerk vast iets lezen, de film (of de trailer) kijken of alle gegeven links beklikken.
of, meer in de lijn van grunberg: fantaseer eens wat je zou doen als je zo rijk raakt dat je elke fantasie kunt verwezenlijken en als niemand in de gaten heeft wat je doet. wat zou je doen?
_______________________________________________________________
* volg deze link en lees de recensie van de new york times book review zoals gepubliceerd op 28 juli 1963! dan houd ik zo van 'tinternet.
een vreemde man, en die ons vreemd ontviel
vanmiddag struinde ik wat door blauwbaard's kamer. mijn nieuwe boekenkastje was nog niet helemaal vol en blauwbaard's kamer barst van vanalles. ook van een zooi bijna-vergeten boeken. en zo kwam ik emile weer tegen, in de vorm van langs zelf gekozen paden, het leven van h.j. scheltema, n.e.m. pareau & mr. j. jer. van nes. geschreven door e.w.a. henssen.
amsterdam, 7 juli 1998
emile
ik kende emile een jaar of 5 denk ik, het laatste jaar nabijer. ik kende hem van mijn stamkroeg en van wat post-redactievergadering borrels van de tweede ronde, een tijdschrift waarin wat mensen schrijven die ik ken. en al jaren zou-ie me dat boek eens geven. en altijd was-ie het wel weer vergeten.
zomer '98 gingen we uit dineren, vlak voordat ik een maand in noord-portugal zou zijn. het bleek een belangrijke voetbalavond voor nederland en veel restaurants waren dicht of hadden een tv-scherm aan. toen we uiteindelijk een goede hadden gevonden bleken we de enige gasten. het personeel was zeer attent en keek de wedstrijd ergens achterin de keuken en meestal kwam hun lawaai niet boven de muziek uit. en toen kreeg ik van emile plots toch dat boek. omdat ik op vakantie ging en in al die treinen toch wat te doen moest hebben.
(ik had met wat anderen een huis gehuurd in een obscuur dorpje. de rest vloog maar ik wilde zo graag met de trein. dat werden 3 treinen tussen hier en de spaans-portugese grens, daar om 5 uur 'sochtends wakker gemaakt want de portugese ns staakte, een bustocht naar porto en vervolgens mijn weg noordelijker moeten zoeken. het waren zo'n 30 toch heerlijke uren, en in tegenstelling tot mijn gevlogen huisgenoten kwam ik compleet ontstressed aanwandelen daar. ook had ik al veel verhalen. maar laat ik weer even terugdwalen naar vlak voor die reis)
na het diner zijn we nog wat gaan drinken en we spraken af om ergens in september weer te gaan eten. dan zou ik van mijn vakantie vertellen en ook over hoe zijn boek las.
ik las wat in de treinen en ook in de weken erna op ons stenen terras en in het gras en soms op zand. en toen ik ergens begin augustus terugkwam
(weer even wegdwalen. wat had ik die reis briljant gepland. op de heenweg moest ik dwars door parijs per metro met al mijn bagage van station veranderen op de dag van de finale van het wk voetbal dat daar in '98 was -dat was het wk, toch?-. op de terugweg moest ik weer heel parijs door om van het ene station naar het andere te komen. dat bleek de dag van de aankomst van de tour de france. sindsdien kan ik overal tegen & ben ik overtuigd van het nut van survivaltrainingen.)
en een avond niet lang na mijn terugkomst in augustus liep ik emile tegen het lijf. we dronken wat tot sluitingstijd en daarna nog aan de overkant. er kwam zo'n polaroidverkoper langs en we hebben er 3 laten maken, ik heb er 2. en toen spraken we af begin september bij een eten verder te praten.
niet veel dagen later liep emile 'snachts op straat en kreeg een hersenbloeding. een overleefbare, dat wel. alleen, hij liep op dat moment van hersenbloeding langs een gracht en viel in het gat van zo'n van-de-stoep-naar-beneden trap als je aan de grachten veel hebt. zijn hoofd kwam naar neer en hij raakte in coma en er niet meer uit. de februari daarop overleed hij.
de herinneringen deden me wat googelen en ik zag dat er een boek voor hem is gemaakt een vreemde man, en die ons vreemd ontviel. liber amicorum e.w.a. henssen. ik heb het besteld natuurlijk. is mogelijk uitverkocht stond er bij. maar ik hoop toch ook dit boek nog eens te krijgen. ik kreeg op mijn bestelling een bevestigingsmailtje terug, een goed teken.
Dag, daar ga je, daar ging je, en ik hoor het pas nu. Daar ging je en dat is goed, want zo ging het niet meer. Ik heb een boek, wat polaroids en wat mooie verhalen. Die gaan niet zomaar, zo weg als jij.
Je ging zoals je altijd ging, zo zonder dat ik het door had, niet zo van: "Nou, dag Moniiq & tot ziens", nee, je ging altijd gewoon als ik met iemand anders aan het lachen was, zo zonder die last van 'dag'-zeggen. En dan opeens was je weg en tien minuten later keek ik verbaasd om me heen. Maar dan was je al gegaan, al kwamen we elkaar een uurtje later wel weer tegen, of soms een paar dagen.
En ook nu, zomaar, al kon ik wennen aan je weg-zijn want je was zeg maar in slaap gevallen aan tafel. Zo half weg, zo plotseling. Zo slapend. En ook nu zag ik je niet echt weggaan, en niemand kon mij vertellen dat je wegging, want die iemanden, nu ja, die zie ik nooit meer. Druk enzo. Maar dat wist je wel, en je liet mij gewoon druk zijn en je ging. En dat is goed, want zo ging het niet meer, zo maandenlang slapend.
En net als altijd, wanneer ik pas merkte dat je weg was gegaan als ons eten werd gebracht, en ik dat dan maar met de anderen opat, zo ging je ook nu. Ik heb niks gemerkt, iemand anders wel, gelukkig. Een emailtje dat ze over je spreken in het Parool, zo ben je gegaan voor mij. Godverdomme Emile, had je niet één keer gewoon kunnen zeggen: nu, dag Moniiq, tot over een uurtje?
Ze schrijven over je in de krant. Maar ik heb een boek, en polaroids, en
mooie verhalen, en die gaan niet zomaar. Zo zomaar als jij. Maar het past wel bij je, zo van: ik ben er niet geweest, laat alleen wat letters na, en verder bemerken de mensen niet dat ik ga. Het klopt alleen niet, je laat meer sporen na. Niet alleen een boek en polaroids en mooie verhalen.
Zo zomaar kun je heus niet gaan, zo en passant geleefd, oh nee. Je bent er nog op meer manieren, zoals je ook soms naast me liep toen je sliep. Zo zomaar ben je niet gegaan, al ging het niet meer. Soms ben je er nog, weet je dat? Zo zomaar ging je niet. Als ik je aanraak, krul je je glimlachend op in de dood. Zo ben je er nog. Dag Emile, tot over een uurtje.
ben okri - in arcadia
dit boek is geen meesterwerk, het is zelfs niet okri's beste werk. ik zou willen dat hij er meer tijd voor had genomen. karakters meer had uitgewerkt en sommige uitweidingen juist had ingekort. de boodschap had minder expliciet gemogen en meer in het verhaal verwerkt. hoofdpersoon lao is in het begin een stereotiep. een cynische ontevreden en teveel drinkende presentator. aan het eind van de roman is lao welhaast een vriendelijke filosoof die de mensheid met mededogen aanziet. een verandering die je na lezing wel begrijpt, maar die zich ook, letterlijk, in sneltreinvaart heeft voltrokken.
het verhaal: een mysterieuze opdrachtgever wil een tv-programma maken over een reis naar arcadia. per trein, vanuit london dwars door europa. de crew lijkt een allegaartje losers, in ieder geval in lao's ogen. maar hij neemt een goede vriendin mee, mistletoe, en gaat. hij gaat omdat deze reis naar arcadia (hoe kan het anders) een transformatie lijkt te beloven, een reis naar verlichting.
But no matter how awful I feel things to be, I don't want oblivion just yet. I want to hurl a few marvellous surprises into the great jaws of life. I want myself to be the surprise. I don't want to spend the rest of my life stewing in bile. I too dream of a workable resolution, but I can't seem to find the will to straighten things out. I can't seem to go forward, therefore I must go back. I must find the lost beginnings, must reincarnate childhood, find a new reason for breathing, make a new covenant.
I must find a way to make death not a threat, an enemy, a terror, an excuse, but a friend, an aid, a liberator. For it would seem that death is the golden key to the mystery of living, but I don't know how to use it. And so, raging or not, hypocrite or not, loathing the camera or not, cynic or not, I need this journey. I need to find out what reasons other people have for living, I need to be broken down again into the simplest components and re-assembled like a beautiful jigsaw into a more lovely picture of who I really am and what I can be.
Slowly, I was learning to love my theme. Hello to journeys, Salut to escapes. I hope my escape leads me back to myself, by a new route, so that I can see my life and its possibilities as if for the first time.
And so this journey must be a sort of dying for me; a dying of the old self; a birth of something new and fearless and bright and strange.
en zijn ik sterft vrij onmiddelijk want vanaf dat moment verandert het perspectief van i naar de 3e persoon. en zodra we niet meer alles door de perceptie van lao zien verandert hij van cynisch observator tot participant in de levens om hem heen.
de reis kent wat mysterieuze voorvallen die niet worden opgehelderd. eerst stoorde me dat, als rafels aan het verhaal. later zag ik deze voorvallen (inscriptions genoemd) als gebeurtenissen die steeds maar voor 1 karakter van belang zijn. zoals iemand achteloos iets kan zeggen dat een ander diep raakt en verandert. en al zouden daar 20 mensen om heen staan: voor hen betekent de opmerking niets. zo betekenen sommige voorvallen in deze roman niets voor mij als lezer. later blijken ze wel voor iemand in de crew bij te hebben gedragen aan een transformatie. en transformatie, dat is waar deze roman over gaat. transformatie en het vinden van de weg (lao heet niet voor niets lao) die iedereen kwijt lijkt te zijn.
als de crew het louvre (en het schilderij dat een grote rol speelt in dit boek) verlaat en op gare de l'est aankomt om de treinreis te vervolgen:
then lao saw it, briefly. he saw a man with thick glasses, struggling to make out the words on the giant console. struggling to make out his destination, to see it clearly. he was adjusting his glasses, straining, sweating, and still he couldn't see clearly.
het schilderij is in dit boek raadsel zowel als sleutel. de dood is veel te belangrijk geworden en neemt teveel van ons leven af. zoals mistletoe in haar droom ziet haalt de man die zich het meest in het raadsel van de inscriptie verliest de dood pas echt binnen in arcadie (zie zijn schaduw). als het bewustzijn zich eenmaal zover ontwikkeld heeft dat we het concept dood kunnen bevatten zonder het te kunnen aanvaarden, pas dan heeft die dood haar plaats ook in het leven zelf opgeeist. en daarmee is het paradijs pas echt verloren.
de observaties over het jachtige, op consumptie gerichte moderne leven zijn niet altijd even subtiel. en okri klinkt wat belerend bij het aanwijzen van andere richtingen, af en toe lijkt het een zelf-hulp-boek verlichting in 231 pagina's. soms erg uitgebreid (het stukje painting heb ik voortvarend ingekort, het was wel 5x zo lang).
maar okri is een veel te goede schrijver en een veel te goede observator om een slecht boek te kunnen afleveren. het kan zijn dat ik het te uitgebreid en overduidelijk vind omdat ik over de thematiek zelf ook al jaren heb nagedacht. toch wilde ik het onmiddelijk herlezen, en elke keer dat ik met het boek geconfronteerd word (zoals van de week, bij het inruimen van mijn nieuwe boekenkastje) wil ik dat weer. en bij herlezen ontdek ik telkens nieuwe subtiliteiten. nuances in een gedachtengang die ik al dacht te kennen en te delen.
het is zijn eerste roman die in europa speelt en niet in afrika en het is uiterlijk gebaseerd op een reis die okri (met een tv-crew) in 1996 voor de bbc maakte toen hij eenmalig great railway journeys presenteerde (zie de disclaimer die aangeeft in this book i use the outer facts of a real journey as a vehicle for fictional characters [...] the journey is real, but the people are invented).
het boek is gemengd ontvangen, veelal wordt het als minder gezien dan zijn trilogie over azaro, het jongetje dat opgroeit in lagos, waarvan het eerste deel the famished road hem de booker prize opleverde. the guardian (een krant waarvoor okri zelf ook schrijft) had een erg negatieve recensie.
en toch, dit is een van de niet-eens-zo-heel-veel boeken die ik waarschijnlijk nog een aantal keren met plezier zal herlezen. door het magische element dat met magie weinig van doen blijkt te hebben, door een vage identificatie met mistletoe, door de manier waarop okri me naar een schilderij weet te laten kijken, door al zijn observaties over dood en leven en door zijn magistrale vertelstijl. door hoe hij kijkt, denkt en schrijft. toch blijft het jammer dat hij niet meer tijd heeft genomen voor dit boek. het had als een odyssee kunnen zijn, deze reis van lao, mistletoe en crew, en dat is het nu niet.
lees hier een interview met okri in trouw, september 2003.
'In Arcadië' is meer een stiletto dan een vuist. Misschien leg ik steeds meer lagen af, in plaats van meer gewicht te verzamelen. In dit boek ruk ik de buitenste kleren van het verhaal af. Intuïties, dromen, al die elementen die normaal gesproken alleen op de achtergrond van een verhaal meespelen, breng ik op hetzelfde, gelijkwaardige niveau. Want dromen zijn niet zomaar een kleine toevoeging aan ons dagelijks leven, ze zijn echt. Dromen en intuïties zijn gelijkwaardig aan verhalen, beschrijvingen, dagelijkse dingen. Vergelijk het met een schilderij van Matisse: er is geen achtergrond of voorgrond, alles is achtergrond, voorgrond en nu tegelijk. Zo leven we. Het zal vreemd zijn voor de lezers, maar ze zullen eraan gewend raken.
et in arcadia ego
what is this painting? is it a monster, a sphinx, a riddle, a mental labyrinth, the resting point of an idea that has travelled thousands of years in the mind of humanity, or a secret guide to the future?
is it in fact a painting, or is it one of those things that transcend art, transcend their form, a question that immortality poses to mortality?
at the center of the painting is the tomb. and at the center of the tomb is the inscription: et in arcadia ego. those four words are among the most debated in the history of art, the most enigmatic, puzzling, mysterious, and endless.
i too have lived in arcadia, the inscription reads. who is the i? is it death? is it the one who died? there is no name on the tomb. so it can't be the one who is buried in it. the tomb itself seems to be the i; or the unnamed dead within it. this unnaming makes it all of us, therefore it might be anyone who has died. they too have been in arcadia. they too have lived. and now they are dead. we who look upon the painting are implicated. we stand with the shepherds. we too are in arcadia. we are alive. we too will... but if the tomb itself is the one that speaks its own inscription then it is saying that death too has been in arcadia, and is still there, in the form of the monumental tomb.
like a silent explosion, a quiet inner revolution, a provocation to enlightenment, a ticking time bomb of illumination planted right in the midst of life's splendours, it is impossible for an intelligent human being to see this painting, to think about it, and to live the same way they lived before.
mistletoe's dream
she was a daughter of pan and had been wandering in a landscape of trees
and flowers. the air was sweetened with amaranth. there were acorns on
the grass. a chain of ochre mountains ranged all around her, bare and
stark and oddly beautiful. she knew that the mountains were the forms of
sleeping gods, the ancient forgotten gods.
it was a brilliant day. the sun was benevolent in its universal golden
splendour. there were a few lovely clouds, and within one of the clouds
was the exact form of an angel in flight. she was in the homeland of
human happiness. she was happy, and had been eternally happy, like a
fortunate child. she had known no suffering and had always been
surrounded with love.
but as she wandered in this realm of happiness she came upon three men
who stood puzzled before a gigantic tomb. the men were shepherds. she
had never seen them before. they were grizzled, but seemed harmless. on
the enormous tomb there was an inscription.
she was one of the daughters of pan, and yet the inscription troubled
her. the men fretted over the inscription and kept pointing at it, while
their shadows took on sinister shapes. she noticed that the man who
pointed most ardently at the word arcadia had formed the shadow of a man
with a scythe. this troubled her more.
they asked her about the tomb. but she had never seen a tomb before.
they explained what it was. she turned pale. they contemplated the
inscription and the mystery of the tomb till the shadows grew shorter
and stranger ond the wind-quivering grass. the world had darkened into
tones of a deep bright sombre beauty. sadness seemed to be leaking into
the happy kingdom of the earth.
and when she left the men, who remained discussing the inscription for
what seemed the rest of their lives, she was never quite so happy again.
and her life now seemed as a bright golden dream of ambiguities when she
woke up in the dark.
mistletoe
and then there was mistletoe, silent, submerged, and waiting. a life
begun in happiness, a childhood rich in variety and freedom, much early
travel, much of the world seen and loved. then a life that took a wrong
turning, and the right road regained later than she would have wished.
blessed with an ease of spirit that falls so easily into a love of
rebellion. she was one of the intelligent ones who have to be lazy in
order to be awoken by failure. the early recklessness. the ambiguous
blessings of beauty, feline grace, and deep-scented sensuality. the
early reliance on easy talent. then being too favoured and lucky. then
unfavoured and unlucky. then misused by men. then disillusioned and
disenchanted. talents not developed early, lost on the way, wandering,
beautiful, optimistic still, and lost.
wreckages of past dreams about her. then despair and loss of faith in
life. then drink and drugs and hopelessness and believing in everything,
believing in nothing. emptiness. lovelessness. and then touched by good
fortune which never really deserted her. finding new friends. finding a
friend in lao. then the slow journey back, through art, to sanity.
meanwhile, what a ring of connections. disowned by parents, cut off from
homeland, almost friendless, heart dry but for the pulses of new
friendships and the quickening of art. her sensuality fabulous, her body
suspicious of love. her eyes suspicious, in spite of a capacity for
abundant warmth and great love. a heart frozen, a mind awake. waiting
for life's thaw, clinging on to friendship, silent, submerged, like a
submarine, an iceberg, magisterial...
painting
if music was born out of grief, painting was born out of transience within an immortal universe. painting is the charmed presence of what will no longer be there. an enchanted absence, a visible dream, a parallel universe, defying death, underlining life's brevity. it is a vision of life from hades enchanted. it is the secret history of light, the psychodrama of colour, the moment in a mind, the moment in a song. painting is life, life smiling at death with light as its secret. painting is narcissus surprised.
painting is an inscription on the flesh of time. painting is the triumph of plants and minerals and animal hair. it is soul dancing to soul. painting is the still life of god's mind. painting is the only mortal space where angels dwell in stillness. it is meditation with eyes wide open, contemplation with the mind's eyes focused on enigmas. it is visualisation materialised. the mind's strength and grace trembling in space. the unending lesson of the ascending spirit. painting is the tentative deciphering of destiny, the visual haiku of human history, musings of life in deep dimensions.
painting is human love transcending human forgetfulness. it is mortality staring at itself in the evanescent mirror of immortality. it is spaces dancing, dimensions interacting, realms interpenetrating, time zones colliding, eliding, harmonising. painting is the shaman's mirror, the warrior's truest shield, the healer's armour against fate and tragedy. the celebration of light.
painting is one of the earliest tools of survival. you painted a thing first then you made it manifest later. there is painting of the mind, where you first create the complete form of a thing or dream or desire and feed it deep into the spirit's factory for the production of reality. painting is the mirror of healing, the base of creativity, the spring-board of materialisation. painting is the mathematics of making things possible. it is planting notions in the subconscious through the allure or disturbance of the eyes.
great paintings transcend the eyes and, through other agencies, can be transmitted from soul to soul. all dreamers are spirit painters. all dreams are paintings. all spirit painters are world remakers. painting is the refresher of love, the aider of love, the incarnation of loving. painting is time multiplied by light. painting is where the dead sleep, where the labyrinth is decoded. it is the secret film of the gods, the ecstasy of dyes, the paradigm of better ways of being.
painting is the illuminated record book of invisible realms seen in glimpses. intimations of reincarnation. akashic still-points. painting is indeed one of the places where hades is averted. it is the hint of a sort of immortality within. it comes from the same place inside us where gods are born.
painting is one of the most mysterious metaphors of arcadia.
eindejaarsopruiming 2: letters
gelezen heb ik ook dit jaar. zo'n 20 boeken. wat is me bijgebleven? in willekeurige volgorde:
salman rushdie
fury (2001)
55-jarige professor malik solanka is rijk geworden met het bedenken van de filosofisch aangelegde pop little brain die van pop tot mega-ster is verworden met eigen tv-shows en cd's. als hij zich op een late avond realiseert dat hij met geheven mes staat te kijken naar zijn slapende vrouw & zoontje verlaat hij london, en hen, om zich (met little brain) in de anonimiteit van new york te storten. maar zijn woede is meegereisd en te groot om onder controle te houden. van zijn uitbarstingen herinnert hij zich niets. in de krant leest hij over een seriemoordenaar. dat zal hij zelf toch niet zijn? ook overal om hem heen ziet hij die woede. de korte lontjes van de mensen in de straten van new york, het slechte humeur van zijn minnares, het gescheld van een taxi-chauffeur en de haat jegens de verenigde staten. op de cover lijkt een donderwolk lekgeprikt te worden door de punt van het empire state building. een ietwat ander beeld van de new york skyline luidde, kort na verschijning van dit boek, de nieuwe eeuw in. rushdie, dus veel sub-plots, afdwalingen, mythologie en massa-cultuur.
paul auster
oracle night (2004)
the book of illusions (2002)
the new york trilogy (1985, 1986, 1987)
moon palace (1989)
leviathan (1992)
the invention of solitude (1982)
the music of chance (1990)
hand to mouth (1997)
in the country of last things (1987)
mr. vertigo (1994)
het moge duidelijk zijn: 2004 was het jaar waarin ik auster ontdekte en bijna een overdosis tot me nam. eenzaamheid, toeval, het creatieve proces, identiteit. thema's die mij boeien maar na de 7e auster ook teveel kunnen worden. vooral dat toeval, alsof hij de religloze mens een nieuwe magie wil meegeven. soms denk ook ik dat dat nodig is, maar auster's vorm van magie is voor mij slechts beperkt houdbaar. ik raad hem zeker aan, maar lees er alsjeblieft niet zoveel achter elkaar als ik heb gedaan. vooral aanbevolen: oracle night, the new york trilogy, in the country of last things, the book of illusions en mr. vertigo.
siri hustvedt
what i loved (2003)
relaties, kunst, vriendschap. de dood van een kind, de gekte van een ander en hoe groeien de ouders daarmee op. een mooi boek maar de troost die geboden wordt is schamel en laat je achter met de leegte van eenzaamheid. als je weet dat hustvedt de vrouw van auster is kun je niet nalaten parallellen te zien tussen sommige gebeurtenissen in dit boek en in zijn oracle night.
the enchantment of lily dahl (1996)
niet al te bijzonder. en zeker een tegenvaller na what i loved. gelukkig is dat laatste boek jaren na lily dahl geschreven. als haar volgende roman op 't niveau van what i loved is zit het wel goed, als ze weer zo'n sprong voorwaarts weet te maken als tussen deze 2 romans, dan word ik zelfs heel erg nieuwsgierig.
mark z. danielewski
house of leaves (2000)
een bijzonder boek. ik las het op zonnige zomerdagen op mijn balkon. en
toch wist de duisternis van dit boek me ook onder die omstandigheden te
bereiken. de hittegolf van begin augustus werd wel erg verstikkend, terwijl ik normaal zo van hittegolven houd. en ik sliep slechter dan anders. de typografische grapjes bieden af en toe verlichting maar op andere momenten versterken ze de verwarring en vervreemding. ik had vakantie en heb een week lang vrijwel alleen in dit boek geleefd, een paar afspraken verzet. ik denk dat dat ook de beste manier is om het te lezen: volledige overgave. maar pas op: dit boek is krachtig genoeg om je op kwetsbare momenten ook het diepe in te kunnen zuigen.
en dat allemaal omdat een huis aan de binnenkant groter is dan aan de buitenkant. lees de recensie van de groene amsterdammer.
vikram seth
a suitable boy (1993)
1474 pagina's. eenmaal thuis wist ik niet wat me had bezield om het te
kopen, behalve dan dat ik heel veel lettertjes kreeg voor m'n geld.
kreeg ik ook waar voor m'n geld? jazeker. het echte verhalen vertellen zoals je bij dickens terugvindt, maar ook bij soaps. veel karakters, van al die karakters ook de eigen wereld nauwkeurig beschreven, veel overlap tussen de verschillende verhaallijnen, veel plots en zelfs cliffhangers. je krijgt een beeld van het india in de eerste jaren na ghandi dat zowel gedetailleerd als heel breed is. de discussies die in het parlement plaatsvinden worden even uitgebreid beschreven als de gedachten van de moeder van lata als die zich weer eens druk maakt of het vriendje van haar dochter wel 'a suitable boy' is. het skala aan karakters (uit verschillende kasten) dat je goed leert kennen is groot. bijna elk hoofdstuk wisselt de belevingswereld. 1474 pagina's, ik leefde 3 weken deels in amsterdam en deels in het india van een halve eeuw geleden. jammer genoeg kwam er een laatste pagina.
michel faber
the crimson petal and the white (2002)
van india naar het london van 1870, en even levensecht. william, niet echt een jongeman meer, getrouwd en met kind en nog steeds freewheelend van vader's geld. dan ontmoet hij sugar, de eigenlijke hoofdpersoon, als hij dronken in een bordeel belandt. sugar doet sexuele dingen waar hij nauwelijks van dorst dromen (feitelijk heel onschuldig, van hieruit bezien). zijn vrouw is opgegroeid zonder te weten wat sex is, het taboe zo geinternaliseerd dat william niets dan walging weet op te roepen. de geboorte van haar kind shockeert haar zo dat ze het bestaan van een dochter ontkent, die woont in een ander deel van het grote huis. william ontmoet sugar en wil haar niet meer kwijt en ook niet met andere mannen delen. dat kost geld en zo wordt william -met hulp van sugar- eindelijk een ambitieuze werker. en zo krijg je en passant ook een beeld mee van de industriele revolutie in de praktijk. maar sugar is er niet de persoon naar om zich de hele dag ledig te houden in haar nieuwe huis, wachtend op william die ook nog eens een slechte minnaar is. de rest moet je zelf maar lezen. the novel that dickens might have written had he been allowed to speak freely schreef the guardian. en de cover citeert the times: a book like this is even better than sex. met dat laatste ben ik het niet eens, maar 'a good read' is het zeker. lees hier de eerste serie hoofdstukken!
under the skin (2000)
een hele andere faber, wel even meeslepend geschreven. hier kan ik beter niet veel over schrijven. dit boek grijpt je, soms vliegt het je naar de strot. niet met de langzame beklemming van house of leaves, maar enkele scenes raak je bijna niet meer kwijt. laat dat je niet afschrikken om het te lezen.
ga niet eerst zoeken op het web naar meer info, enkele sites verraden te
veel, zelfs de review van the new york times. ik geef je de url dan ook niet. alleen de link die ik geef (klik op de titel) kun je veilig volgen. ook daar staat: "How do you write a synopsis about a novel like this? You can't. To reveal anything of the plot reveals too much. The success of this novel relies on the readers slow realization of what is actually going on. [...] This is a very chilling novel. In parts is it macabre, even gruesome. In parts it is funny - a satirical look at humanity. It makes you laugh at some of the absurdities of human life when viewed from a distance. It is moving - you feel real empathy for Isserley and her moral dilemma, despite the fact that you disapprove completely of her."
eervolle vermeldingen voor
mark haddon
the curious incident of the dog in the night-time (2003)
esther freud
the sea house (2003)
gisteren ben ik begonnen in david mitchell's cloud atlas. ik las het begin van de achterflap en het boek was verkocht. a remarkable book, made up of six resonating strands; the narrative reaches back into the 19th century, to colonialism and savagery in the pacific islands, and forwards into a dark future, beyond the collapse of civilisation. it knits together science fiction, political thriller and historical pastiche with musical virtuosity and linguistic exuberance: there won't be a bigger, bolder novel this year. lees ook de andere recensie (gelinkt via de titel).
nog even over scheuren in de werkelijkheid
ook het dronken schip kent er een variatie van. in 't commentaar wat informatie over salman rushdie's 'the ground beneath her feet', zo ongeveer de 'rough guide through cracks in reality'.
rock 'n roem, ontheemding vervreemding verbanning. desorientatie. het verlies van het oosten is de ziekte van het westen en omgekeerd. we komen elkaar niet nader, de spiegel barst en grond en lucht rijten zich open. enfin, lees dat boek. het swingt ook nog.
the otter woman
He never asked why she always walked
By the shore, what she craved
Why she never cried when every wave
Crescendoed like an orchestra of bones.
She stood again on the low bridge
The night of the full moon.
One sweet, deep breath and she slipped in
Where the river fills the sea.
She saw him clearly in the street light -- his puzzlement.
Rid of him she let out one low, strange cry. . . .
het is je vergeven als je other woman las maar er staat heus otter woman. deze ottervrouw komt uit de ierse folklore, die verhalen kent waarin mensenmannen trouwen met ottervrouwen. na het huwelijk ontdoet hij de ottervrouw van haar ottervelletje zodat ze niet meer terug kan naar zee. als de ottervrouw, een aantal zoons en vele tranen verder, haar huid terugvindt aarzelt ze niet.
welk boek ben ik?

Like Odysseus in a work of Homer, you demonstrate undying loyalty by
sleeping with as many people as you possibly can. But in your heart you never give
consent! This creates a strange quandary of what love really means to you. On the
one hand, you've loved the same person your whole life, but on the other, your actions barely speak to this fact. Whatever you do, stick to bottled water. The other stuff could get you killed.
over deze uitslag zal ik me eens ernstig beraden, maar niet hier in het openbaar. dat snapt u vast wel.
doe ook de book quiz, met dank aan droommachine: sporenburg



